• Bel ons (24/7)0316 - 33 10 76

Kat

De kat of huiskat is een van de oudste huisdieren van de mens

  • Gedragsproblemen
  • Geriatrisch onderzoek
  • Naar de dierenarts
  • Nierproblemen
  • Schildklierproblemen
  • vaccine3 Suikerziekte
  • Tandenpoetsen
  • Worms2 Ontwormen
  • vaccine3 Vaccinaties
  • Tick2 Zoönosen: door teken overgebracht
  • Zoönosen: door vlooien overgebracht

Gedragsproblemen

Katten zijn stressgevoelige dieren en ze vertonen vaak gedragsproblemen, zoals onzindelijkheid, agressie of angst.

Een bekend probleem bij katten is het plassen in huis. Er kunnen verschillende oorzaken zijn waarom de kat in huis plast, waaronder een lichamelijke oorzaak. Het is daarom belangrijk dat de kat eerst door de dierenarts wordt onderzocht. Om problemen van de urinewegen uit te sluiten, is het verstandig wat urine op te vangen en mee te nemen naar de kliniek. Om de urine schoon op te vangen kunt u de kattenbak goed schoon en droog maken en daarna vullen met Katkor. Dit zijn speciale plastic korrels die de urine niet opnemen. U kunt deze korrels (met pipet en buisje om de urine in te doen) kopen in onze kliniek.

Een van de oorzaken van het plassen zou bijvoorbeeld een blaasontsteking of een nierprobleem kunnen zijn. Ook als de kat zich om andere redenen niet lekker voelt of pijn heeft, kan hij/zij naast de bak plassen.

Er kunnen ook andere niet-lichamelijke redenen zijn waarom een kat in huis plast. U kunt hierbij denken aan stress (wegens bijvoorbeeld een verbouwing of een nieuw huisdier) of drift om het territorium af te bakenen (als er bijvoorbeeld vreemde katten rondom het huis lopen). Meestal sproeien katten dan. De urine spuit dan recht naar achteren. Katers die niet gecastreerd zijn, sproeien bijna allemaal.

Een veel voorkomende oorzaak van naast de bak plassen is een kattenbak die voor de kat niet aangenaam is. Deze kan gewoon niet goed schoongemaakt zijn, maar ook het grit kan een probleem zijn voor de kat. Soms heeft de kat een hekel aan het door u gebruikte schoonmaakmiddel of houdt hij/zij niet van een bak met overkapping. Sommige katten willen hun bak niet met anderen delen.

De beste oplossing in de meeste gevallen is een open bak die elke dag met alleen heel heet water wordt schoongemaakt.

Heeft u meerdere katten? Gebruik dan voor elke kat één bak, plus één extra. Voor drie katten heeft u dus vier bakken nodig.

Geriatrisch onderzoek

Sinds een aantal jaren is in onze kliniek het geriatrisch onderzoek geïntroduceerd. Dit is een bloedonderzoek dat we bij de oudere hond en kat uitvoeren om aandoeningen die vooral bij oudere dieren voorkomen in een vroeg stadium te ontdekken. U kunt hierbij denken aan aandoeningen van de nieren, de lever en bloedsuikerspiegel.

U kunt dit bloedonderzoek uit laten voeren door de dierenarts. Dit kan gelijk plaatsvinden met de jaarlijkse enting. In dat geval betaalt u geen apart consult.

Naar de dierenarts

Met de kat naar de dierenarts gaan is soms erg stressvol, zowel voor u als voor de kat. Om het bezoek op de praktijk minder spannend te maken, kunt u als u even moet wachten vragen of de kat op een rustige plek kan staan en aan de dierenarts aangeven dat de kat het erg vervelend vindt. De reis naar de praktijk toe is echter soms al een strijd, daarom hier wat tips om het volgende bezoek voor iedereen aangenamer te maken.

Maak het reismandje iets positiefs

Vaak wordt het reismandje maar een keer per jaar van zolder gehaald voor de jaarlijkse enting van de kat. Dit is dan een vreemd ding, waar de kat alleen maar negatieve ervaringen mee heeft gehad. Geen wonder dat ze er dan liever niet vrijwillig in gaat!

Het helpt als het mandje iets positiefs is, een veilig plekje waar ze ook de rest van het jaar zelf lekker in kan liggen slapen. U kunt het mandje dus met een lekker kleedje in de kamer zetten. Om de kat sneller gebruik te laten maken van dit nieuwe plekje kunt u het extra aantrekkelijk maken door bijvoorbeeld het kleedje te behandelen met catnip, valeriaan (beide verkrijgbaar in de dierenspeciaalzaak) of feromonenspray (bij ons verkrijgbaar). Daarnaast kunt u de kat in het mandje lokken met lekkere snoepjes of een spelletje. Doe dit vooral niet vlak voordat u de kat mee moet nemen op reis: het moet een positieve ervaring zijn!

Zorg voor een rustige reis

Om op de praktijk te komen moet de kat mee in de auto, op de fiets of op de scooter. Zorg altijd dat het mandje goed vast staat en dat de kat geen last heeft van de rijwind.

In de auto kunt u het mandje bijvoorbeeld op de achterbank vastsnoeren in de autogordel. Op de fiets of scooter kunt u een extra kleedje over het mandje doen.

Sommige katten worden misselijk onderweg. Als uw kat vaak braakt onderweg, is het verstandig om te zorgen dat ze de uren voor de reis niet meer kan eten. Wel altijd zorgen dat er water beschikbaar is.

Rustig wachten

Als u op de praktijk even moet wachten tot u aan de beurt bent, zorg dan dat de kat wat hoger kan zitten. Zet ze bijvoorbeeld op een lege stoel, of houd ze op schoot. Ga ook als het kan zo ver mogelijk bij honden uit de buurt zitten. Als het erg druk zou zijn, of u merkt dat de kat erg veel stress ervaart, dan kunt u bij de assistente vragen of er een rustige plek is voor de kat. We kunnen haar bijvoorbeeld even in de opname plaatsen tot u aan de beurt bent.

In de spreekkamer

Het helpt bij de dierenarts als de kat makkelijk uit het mandje te krijgen is. Het kan helpen om de favoriete snack van uw kat mee te nemen, zodat we haar kunnen proberen te lokken. Als ze er niet zelf uit wil komen, is het fijn als we de bovenkant van het mandje af kunnen halen. Er zijn veel verschillende mandjes verkrijgbaar, maar ze zijn niet allemaal even makkelijk. Probeer bij de aanschaf uit of de bovenkant er makkelijk af komt en vermijd de (rieten) mandjes met enkel een klein deurtje aan de voorzijde.

Het is voor de kat prettiger om op een kleedje te zitten dan op de koude behandeltafel. Als dit kleedje ook nog eens naar haarzelf ruikt, werkt dit geruststellend. Hiervoor kunt u bijvoorbeeld een gebruikt kleedje meenemen.

Medicatie

Katten die ondanks alle aanpassingen en voorzorgsmaatregelen niet te onderzoeken zijn, kunnen eventueel medicatie krijgen om te helpen kalmeren. Er bestaan tabletjes met angstremmende medicatie (die bijvoorbeeld ook worden gebruikt op oudejaarsavond) die u van tevoren thuis toedient. We kunnen de kat ook sederen via een injectie, maar we moeten altijd een afweging maken tussen noodzaak en eventuele nadelen.

Nierproblemen

Chronische nierinsufficiëntie is een van de meest voorkomende ziekten bij de oudere kat. De belangrijkste symptomen zijn veel drinken en veel plassen. Dit zal u als eigenaar dan ook als eerste gaan opvallen. Vaak wordt een kat ook kieskeuriger met eten, en gaat ze uiteindelijk minder eten en zal ze vermageren. Wanneer een kat deze symptomen krijgt is er al een behoorlijke schade aan de nier. Deze schade kan verschillende oorzaken hebben.

In de meeste gevallen is dit proces niet omkeerbaar en dus niet te genezen. Wat we wel kunnen doen is het proces vertragen. In het beginstadium van een nieraandoening zullen nog geen symptomen optreden vanwege de grote reservecapaciteit van de nieren. Door bij oudere dieren preventief een beetje bloed te prikken en de nierwaarden en/of SDMA te meten, kunnen we al in een vroegtijdig stadium beginnen met behandelen. Hierbij hoort bijvoorbeeld een dieet met een verlaagd gehalte aan een bepaald eiwit en bepaalde mineralen.

Daarnaast hebben we medicijnen die de nierfunctie ondersteunen. Door deze therapie kunnen we in een groot deel van de gevallen de nierwaarden in het bloed naar normaalwaarden brengen. Hierdoor verlengen we de levensduur en levenskwaliteit van uw kat.

Schildklierproblemen

De schildklier bestaat uit twee delen die in de hals naast de luchtpijp liggen.

Bij oudere katten komt het wel eens voor dat één of beide delen te snel werken (hyperthyreoidie). Door het teveel aan schildklierhormoon zal de verbranding van uw huisdier enorm toenemen. Daarbij ontstaat ook veel warmte en zal het dier koele plekken opzoeken in huis.

Verdere symptomen zijn:

  • Onrust
  • Afvallen
  • Veel eten
  • Vachtveranderingen
  • Veel drinken
  • Veel plassen
  • Braken
  • Diarree
  • Dikte in de hals

Bijkomende problemen van een te snel werkende schildklier zijn:

  • Hartfalen
  • Te hoge bloeddruk
  • Nierfalen
  • Maag/darmklachten

Bij een vermoeden van een schildklierprobleem kunnen we een hormoonbepaling doen in het bloed. Een specialist kan ook nog een scan maken met radioactief materiaal. Hiermee is te zien of de schildklier overactief is.

Mogelijke therapieën zijn het verwijderen van (één deel van) de schildklier of chemotherapie om de afwijkende schildkliercellen af te doden. Een andere mogelijkheid is het geven van tabletten die de aanmaak van hormonen stoppen. Er is sinds kort ook een speciaal dieetvoer verkrijgbaar voor katten met een schildklier probleem (Hill’s y/d)

vaccine3 Suikerziekte

Overgewicht is zowel bij mens als dier een bekend probleem. Door de grote toevoer van voedingsstoffen moet het lichaam veel insuline aanmaken. Insuline is een hormoon dat ervoor zorgt dat suiker uit het bloed naar de cellen wordt vervoerd. Door de constant hoge concentratie insuline raakt het lichaam hieraan gewend. Dit noemen we insulineresistentie, dus suikerziekte. Uw dier heeft steeds meer insuline nodig, wat we op een gegeven moment moeten geven door het twee keer per dag onder de huid in te spuiten. Na verloop van tijd raakt het orgaan dat insuline maakt uitgeput en kan zó beschadigd raken, dat er helemaal geen insuline meer gemaakt kan worden. Dan is het onomkeerbaar en blijft uw kat suikerpatiënt.

Wanneer uw kat nog maar net last heeft van suikerziekte is het proces vaak nog omkeerbaar! Door uw kat te laten afvallen heeft het lichaam steeds minder insuline nodig en kan alles weer normaal functioneren.

Wanneer het echter te laat is en uw kat suikerpatiënt blijft, zal dit veel zorg van u vergen. De insuline moet op de juiste manier worden bewaard en moet twee keer per dag onder de huid worden gespoten. Dit betekent automatisch dat uw kat vier keer per dag op vaste tijden moet eten om het suikerpeil zo gelijkmatig mogelijk te houden. Het voedsel moet elke keer van gelijke porties en samenstelling zijn.

Voorkomen is beter dan genezen! Zorg er daarom voor dat uw huisdier niet te zwaar wordt. Behalve suikerziekte loeren er bij overgewicht nog meer gevaren om de hoek. Als u twijfelt of uw kat te zwaar is of hoe u hem het beste kunt laten afvallen, kunt u een afspraak maken. Onze assistentes kunnen een voedingsadvies op maat maken.

Tandenpoetsen

Het poetsen van tanden is voor veel baasjes niet iets wat ze standaard bij hun viervoeter doen, terwijl dit wel het beste hulpmiddel is om het gebit gezond te houden. Hoewel het voeren van (speciale) brokken en geven van kauwstaven/-snoepjes voor veel dieren al helpt tegen het vormen van tandsteen, zorgt poetsen voor een extra reinigend effect en het gezond houden van het tandvlees. Poetsen kan zowel bij honden als bij katten, hoewel niet elk dier het even snel makkelijk zal toelaten.

Poetsen oefenen

Als u met poetsen gaat beginnen, is het belangrijk dit langzaam op te bouwen en te trainen. Laat het dier eerst wennen aan het dagelijks aan de bek zitten. Kijk eens naar de tanden, masseer het tandvlees door de lippen heen. Beloon hem als hij het goed heeft gedaan, bijvoorbeeld door wat tandpasta te geven.

De tandpasta die u kunt gebruiken, moet wel speciale dierentandpasta zijn. Deze is verkrijgbaar op de praktijk. Er zijn verschillende smaken, dus u kunt uitproberen wat hij het lekkerst vindt. Belangrijk is dat de tandpasta geen fluoride mag bevatten, want dat is giftig bij inslikken. Een goede tandpasta bevat ook een enzym dat er voor zorgt dat tandplak niet in tandsteen wordt omgezet.

Bij de volgende stap gaat u voorzichtig de tandpasta aanbrengen op de tanden. Bij de meeste dieren zit de meeste plaque op de buitenzijde van de achterste kiezen (vooral van de bovenkaak) en de hoektanden. In deze stap kunt u het beste nog geen borstel gebruiken, maar de tandpasta aanbrengen met de vingers, een gaasje of vingerborstel; op die manier houdt u beter contact met uw huisdier en kunt u niet uitschieten bij een plotse onverwachte beweging.
Na het aanbrengen van de tandpasta kunt u een voorzichtige masserende beweging maken als uw dier dat al toe laat. Het poetsen van de snijtanden vinden de meeste dieren niet fijn, dus daar kunt u beter nog mee wachten. Ook het poetsen van de binnenzijde van de tanden en kiezen is erg lastig en meestal niet nodig.

Als dit lukt, en dat kan een paar weken in beslag nemen, kunt u overstappen op de tandenborstel. Dan is het alleen nog zaak om het poetsen bij te houden. Voor de beste resultaten adviseren wij dagelijks te poetsen.

De kat

Ook bij katten kunt u het poetsen op bovenstaande manier aanpakken, maar soms lukt het gewoon niet. Gelukkig vinden katten de tandpasta vaak wel smakelijk. Wat dan een oplossing kan zijn is het aanbrengen van de tandpasta op een grote borstel of ragertje waarna de kat met een kauwende beweging zelf zijn tanden kan ‘poetsen’. Ook voor kleine honden kan dit een goed alternatief zijn.

Worms2 Ontwormen

Het is belangrijk dat u uw kat geregeld ontwormd. Zo voorkomt u dat ze wormen krijgen en ziek worden. Jonge kittens moeten wat vaker ontwormd worden dan een volwassen kat.

Hieronder vindt u het ontwormingsschema:

Leeftijd kat Ontworming
Vier weken Eerste keer
Zes weken Tweede keer
Acht weken Derde keer
Tien weken Vierde keer
Twee maanden Vijfde keer
Vier maanden Zesde keer
Zes maanden Zevende keer
Na zes maanden Ieder kwartaal

Er zijn verschillende manieren en middelen om uw kat te ontwormen. Zo zijn er tabletten verkrijgbaar met een smaakje. Ook is er een ontwormingspasta verkrijgbaar. Deze pasta spuit u achter in de bek van uw kat. De pasta wordt veel gebruikt bij kittens, aangezien dit makkelijk gaat.

Hieronder ziet u de cyclus van de spoelworm bij de kat. Katten worden besmet door het binnenkrijgen van de eieren. Dit kan bijvoorbeeld door het opeten van besmette muizen of ratten. In de darm ontwikkelt het ei zich tot larve. Hieruit ontstaat de worm. De wormen scheiden weer eieren uit en deze komen met de ontlasting mee naar buiten. De larven kunnen ook in de moedermelk terecht komen en de kittens besmetten. Vanwege deze reden moeten kittens ook zo vaak ontwormd worden.

Zowel de honden- als kattenworm kan mensen besmetten, dus altijd handen wassen na het buiten spelen!

vaccine3 Vaccinaties

Samenvatting

  • De vaccinatierichtlijnen zijn gebaseerd op het bereiken en handhaven van populatie-immuniteit.
  • Serologische testen worden bij correcte toepassing betrouwbaar geacht voor de praktijk.
  • Bij kittens verdient een goede basisvaccinatie de voorkeur boven titerbepalingen: minimaal tweevoudige vaccinatie plus een boostervaccinatie op zes tot twaalf maanden leeftijd.
  • Voor de individuele volwassen kat kan een titerbepaling voor FPV een alternatief voor vaccineren zijn.
  • Bij een positieve titer dient dezelfde beschermingsduur aangehouden te worden als bij vaccineren, (mits er een volledige basisvaccinatie werd gegeven). Voor de meeste virale vaccins bij de kat is dat een periode van drie jaar. Na twee termijnen van drie jaar is op dit moment jaarlijks hertesten het advies. Titreren staat garant voor een minimale afweer, niet altijd voor een optimale afweer.
  • Als de laatste vaccinatie plaatsvindt op zestien weken leeftijd, kan op eenjarig leeftijd een titerbepaling worden uitgevoerd om te bepalen of een boostervaccinatie nodig is. Daarna is het advies om jaarlijks te hertesten.
  • Pensions mogen een positieve titerbepaling accepteren in plaats van vaccinatie.
  • Jaarlijks vaccineren blijft nodig voor niesziekte (hoogrisico katten). En natuurlijk is er dan ook de gezondheidscontrole van uw dier.

Veel informatie over vaccineren kunt u ook vinden op de website van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (licg.nl).

Wat is vaccineren?

Vaccineren is het dier stimuleren om zelf antistoffen (afweer) te maken tegen bepaalde ziekteverwekkers. Er wordt een ziekteverwekker ingespoten (bijvoorbeeld een dood virus) waarop het lichaam reageert door antistoffen te maken. Wanneer uw huisdier dan in contact komt met het virus herkent het lichaam dit als virus en kan het meteen grote hoeveelheden afweerstoffen aanmaken. Er treedt dus wel een kleine infectie op, maar deze wordt snel de das om gedaan.

Het belang van vaccinatie zit vooral in de herd immunity (populatie-immuniteit): hoe meer dieren in een groep zijn gevaccineerd, hoe minder kans een ziekteverwekker krijgt om zich te verspreiden. Dieren die niet beschermd zijn (bijvoorbeeld doordat het vaccin bij hun niet werkt, of als ze door ziekte niet gevaccineerd kunnen worden), lopen dan ook minder kans om ziek te worden.

Momenteel is ongeveer 50% van de honden en 30% van de katten gevaccineerd. Het percentage van de populatie dat gevaccineerd moet zijn voor voldoende herd immunity verschilt per ziekte (o.a. variatie in besmettelijkheid). Algemeen wordt er vanuit gegaan dat er 67% vaccinatiegraad nodig is voor voldoende populatie-immuniteit.

Waartegen vaccineren?

We kunnen vaccineren tegen ziektes veroorzaakt door virussen en bacteriën. We vaccineren alleen tegen ziekteverwekkers die ernstige ziekte of sterfte veroorzaken, of die het dier gevoelig maken voor andere ziekteverwekkers. Dankzij vaccinaties zien we sommige ziektes nog maar zelden in Nederland, zoals bijvoorbeeld hondenziekte en hondsdolheid. Stoppen met vaccineren kan echter wel weer uitbraken veroorzaken, onder andere doordat deze ziektes in andere landen wel voorkomen en er veel wordt gereisd met dieren.

Katten vaccineren we standaard tegen kattenziekte (parvovirus) en niesziekte (herpesvirus en calicivirus). Indien nodig kunnen we ook vaccineren tegen hondsdolheid (rabiës) en meer verwekkers van niesziekte (ChlamydiaBordetella).

Er bestaan nog meer vaccinaties, zoals bijvoorbeeld tegen leukose. Deze worden enkel in specifieke situaties gebruikt.

Vaccineren bij volwassen dieren

Volwassen katten moeten in ieder geval elke drie jaar gevaccineerd worden tegen kattenziekte en niesziekte. Afhankelijk van de situatie kan het verstandig zijn om jaarlijks te vaccineren tegen niesziekte. Dit is belangrijk voor katten met een hoger risico: katten die regelmatig in een pension verblijven, katten in een multi-cat huishouden waarvan de katten (of sommige van hen) naar buiten kunnen en zelfs een solitaire kat die af en toe buiten komt kan een hoger risico hebben.

Niesziekte

Mocht uw kat af en toe naar een pension gaan, dan kan geëist worden dat ze ook tegen andere verwekkers van niesziekte is ingeënt, zoals Chlamydia of Bordetella. De eisen per pension verschillen, dus het is het handigst als u even navraagt wat de eisen zijn bij het desbetreffende pension.

Rabiës

Wanneer u uw kat mee wilt nemen naar het buitenland is het verplicht om tegen rabiës, ofwel hondsdolheid te vaccineren. Deze vaccinatie moet minimaal een maand voor vertrek worden gegeven. Dus zorg dat u er op tijd bij bent!

Voor de landen van de EU zijn drie dingen belangrijk: uw dier moet geënt zijn tegen rabiës, u moet een EU-dierenpaspoort hebben en uw dier moet gechipt zijn. In het buitenland komen ziektes en parasieten voor waar u uw dier tegen moet beschermen.

Vaccineren bij kittens

Als het moederdier goed gevaccineerd is, krijgen de kittens via de eerste moedermelk (biest) antistoffen binnen (mits er voldoende wordt opgenomen in de eerste 36 uur na de geboorte). Deze antistoffen beschermen de jongen de eerste weken tegen infecties met deze virussen. Bij een goed gevaccineerd moederdier en goede opname kan deze bescherming zelfs tot 20 weken aanwezig blijven. Als een dekking gepland wordt, is het het beste om het moederdier hiervoor nog te boosteren om maximale maternale immuniteit te verkrijgen.

De immuunrespons tegen parvovirus na vaccinatie op zes weken is 63,1%, op acht weken 65,9%, op twaalf weken 92,2% en op zestien weken 99,4% (gemiddeld). Daarom is het advies van de WSAVA (World Small Animal Veterinary Association) om pups en kittens voor het eerst te vaccineren op zes-acht weken (kittens tot negen weken) en dan elke twee-vier weken tot ze zestien weken of ouder zijn (bijvoorbeeld zes, tien, veertien en achttien weken, of acht, twaalf en zestien weken).

Dit schema houdt rekening met de immunity gap: een gevoelige periode voor pups en kittens waarin de maternale antistoffen niet meer beschermen tegen ziekte, maar wel het aanslaan van het vaccin tegengaan. Bij slecht gevaccineerde moederdieren begint deze gap bij kittens vroeger, bij goed gevaccineerde dieren later. Hiermee wordt in het standaard-schema rekening gehouden, maar dit verschilt uiteraard per dier. Daarom kan er in specifieke situaties van het standaard vaccinatieschema worden afgeweken.

Op eenjarig leeftijd krijgen kittens weer de cocktail. Dit is een historisch gegeven, we weten inmiddels dat de immuniteit volwassen is vanaf zes maanden leeftijd. Deze enting kan dus tussen zes en twaalf maanden leeftijd gegeven worden. Na deze vaccinatie is de ‘basisvaccinatie’ compleet.

Titerbepaling

Om te weten of een dier voldoende beschermd is tegen bepaalde ziekteverwekkers kunnen we in het bloed de aanwezige antistoffen meten (titer bepalen). Voor honden kunnen we dit op de praktijk testen met de Vaccicheck, voor katten kunnen we dit nog niet in de praktijk, maar dit kan wel bij een extern laboratorium. Voor de rabiës-vaccinatie is een titerbepaling verplicht als een dier mee gaat naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten.

Titerbepaling is niet mogelijk voor niesziekte. Het is dus belangrijk dat dieren hier jaarlijks voor gevaccineerd blijven worden.

De titerbepaling wordt in steeds meer praktijken aangeboden, maar er zijn nog veel zaken onduidelijk. Recent zijn fabrikanten van vaccins, onderzoekers, practici en overheid na een overleg tot een consensus gekomen over het serologisch testen.

Een paar punten uit de consensus:

Een afwezige of verlaagde antilichaamtiter betekent niet altijd dat er geen of onvoldoende immuniteit is; er is mogelijk wel celgebonden afweer aanwezig en er zijn na vaccinatie geheugencellen geactiveerd die snel weer antilichamen kunnen gaan produceren als er een infectie optreedt.

Bijwerkingen van vaccins komen zelden voor, in totaal 0,004% bij honden en 0,005% bij katten. [Dit hoeft dus geen reden te zijn om bij alle dieren te gaan testen.]

Er is een correlatie tussen de aanwezigheid van neutraliserende antilichamen en beschermende immuniteit. De hoogte van de titer is wel slechts een momentopname en geen maat voor de beschermingsduur; er kan dus geen harde garantie worden gegeven over de beschermingsduur na een positieve titer. De WSAVA Richtlijn geeft momenteel echter aan dat bij volwassen gevaccineerde dieren met een aangetoonde voldoende bescherming door serologisch onderzoek de test pas na drie jaar weer herhaald hoeft te worden.

Het gebruik van testen bij jonge pups en kittens om een optimaal vaccinatietijdstip te bepalen heeft nadelen: door sterke individuele variatie dienen alle dieren in een nest iedere twee-drie weken getest te worden, dit betekent dus regelmatig bloedprikken (welzijn?), bovendien kan het risico op infecties toenemen omdat dieren mogelijk langer dan noodzakelijk in een fase van onvoldoende immuniteit verblijven (immunity gap).

Er is nog onvoldoende informatie over de beschermingsduur van jongen die alleen de entingen tot twaalf of zestien weken hebben gekregen en bij testen op eenjarige leeftijd (moment van hervaccinatie) nog voldoende hoge titers hebben. Daarom is het advies om deze dieren jaarlijks te hertesten. Indien er wel een boostervaccinatie tussen de zes en twaalf maanden is gegeven, is driejaarlijks hertesten mogelijk op het tijdstip van de hervaccinatie.

De on-site test [b.v. vaccicheck] is bedoeld voor het vaststellen van een voldoende bescherming op tijdstip van beoogde hervaccinatie en niet voor het bepalen van een vaccinatie interval. 

Katten die in een pension verblijven, moeten volgens de wet gevaccineerd worden tegen kattenziekte en niesziekte (feline herpes- en calicivirus). Pensions mogen er tegenwoordig voor kiezen om een positieve titerbepaling te accepteren in plaats van een vaccinatie.

Er wordt soms als argument voor titerbepaling gesteld dat een boostervaccinatie zinloos is bij voldoende antistoffen, omdat de antistoffen de vaccinatie zouden ‘wegvangen’. Dit is echter niet waar. Na vaccinatie zijn er naast antistoffen namelijk ook geheugencellen; deze worden na een booster extra gestimuleerd om meer antistoffen te maken. We zien het regelmatig in de praktijk bij de hondsdolheid-vaccinatie: een dier wordt getest in verband met een reis naar het buitenland en heeft een beschermende titer die echter te laag is volgens de wettelijke eis. Na een hervaccinatie (booster) bepalen we de titer opnieuw: deze is dan sterk verhoogd (en het dier mag mee op reis).

Aangezien we voor een titerbepaling toch al bloed afnemen, kunnen we bij oudere katten de titerbepaling combineren met het geriatrische onderzoek. We controleren dan onder andere op suikerziekte, nier- en leverproblemen.

Tick2 Zoönosen: door teken overgebracht

Er zijn twee grote groepen teken: de harde teken (Ixodus) en de zachte teken (Dermacantor). De harde teken komen in Nederland het meest voor.

Ziekte van Lyme

Deze ziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Borrelia burgdorferi en wordt ook wel Borreliose genoemd. De ziekte geeft bij de kat nauwelijks problemen. Bij de hond wat vaker, maar ook weinig (5% tot 10% van de tekenbeten geven verschijnselen bij de hond: wisselende kreupelheid en koorts). De kat laat een aspecifieke algehele malaise zien. De mens krijgt in 60% tot 80% van de gevallen een rode ring rond de beet. Deze ontstaat één tot drie weken na de beet. De ring wordt steeds groter. Binnen de ring is de huid weer normaal. Ook bij geen behandeling verdwijnt deze ring weer vanzelf. Soms zijn er griepachtige verschijnselen aanwezig, zoals spierpijn, hoofdpijn, koorts en gewrichtspijn. Hieruit kunnen weer complicaties ontstaan als de ziekte niet behandeld wordt.

Rickettsiose:

De bacterie die deze ziekte veroorzaakt kan ook door de teek overgebracht worden naar de mens. Honden kunnen deze ziekte verspreiden, doordat ze vervoerd worden van besmette naar niet-besmette gebieden. Zie voor meer informatie hierboven: Rickettsiose, overgebracht door vlo.

Tick-Borne Encephalitis:

Deze ziekte wordt veroorzaakt door een virus, welke door de teek wordt overgebracht. Gastheren voor dit virus zijn: koeien, geiten en schapen. Via de melk worden ze weer uitgescheiden. De mens en de hond worden soms geïnfecteerd. Deze ziekte komt vooral voor in Centraal Europa, Scandinavië, Italië en Griekenland, maar er zijn aanwijzingen dat er ook besmette teken in Duitsland en Nederland voorkomen. Symptomen: koorts, malaise en hoofdpijn. In tweede instantie treden zenuwverschijnselen op.

Babesiose:

Van de parasiet die deze ziekte veroorzaakt zijn meerdere ondersoorten. Bij de mens komt alleen de Babesia divergens voor. Deze parasiet heeft als reservoir het rund en wordt via teken (harde teken) naar de mens overgebracht. De infecties verlopen vaak symptoomloos. Soms wordt een grote milt aangetroffen. Bij de hond komt B. canis voor. Deze parasiet wordt overgebracht door een zachte teek en veroorzaakt bij de hond koorts, sloomheid, grote lymfeklieren en bleke slijmvliezen. De bleke slijmvliezen worden veroorzaakt doordat de parasiet de rode bloedcel intrekt en deze kapot maakt.

Ehrlichia en Anaplasma:

Deze bacteriën infecteren onze witte bloedcellen. Ze worden door de harde teken overgebracht en komen uit het reservoir van de kleine knaagdieren, herten, reeën, schapen, paarden en runderen. Anaplasma geeft koorts, malaise, spierpijn en hoofdpijn.

Tularemie (hazenpest):

Er zijn twee types van deze ziekte. Type A is in Nederland uiterst zeldzaam. De ziekte komt vooral voor in Noord-Amerika. De bacterie leeft vooral bij konijnen, maar ook bij andere zoogdieren, vogels, insecten en in water en modder. Type B komt voor in Europa, Azië en Noord-Amerika bij hazen, bevers, muskusratten en muizen. Besmetting gaat via besmet water, hooi, stro, teken en muggenbeten. Bij de mens wordt het vooral overgebracht door aanraking van besmette karkassen en door besmette luchtdeeltjes bij het hooien. Ook honden en katten kunnen besmet worden en de infectie overbrengen door bijvoorbeeld likken en krabben. Teken vormen hierbij een potentieel risico.

Zoönosen: door vlooien overgebracht

Zoönosen zijn infectieziekten die bij dieren voorkomen, maar ook naar mensen kunnen worden overgedragen.

Kattenkrabziekte:

Bartonella henselae/clarridgeia is een bacterie die in de kat voorkomt. Een vlo zuigt deze bacterie op. De vlo poept het virus weer uit en deze komt uiteindelijk terecht op de nagels en in de bek van de kat. Overdracht naar de mens gebeurt via krabben, bijten en likken. De symptomen: twee tot twaalf dagen na de infectie ontstaat er een papel, pustel of vesikel, een soort bultje, op de plaats van de infectie. Deze verdwijnt na één tot drie weken na de infectie, maar de lymfeknopen zijn inmiddels vergroot. Eventuele complicaties: lymfeknopen die een abces gaan vormen en open kunnen barsten, hersenvliesontsteking of uitzaaiing naar botten, lever of longen. Ook een oogontsteking komt voor.

Rickettsiose:

De bacterie die deze ziekte veroorzaakt moet in een cel zitten om te overleven. Er zijn meerdere soorten bacteriën die deze ziekte kunnen veroorzaken. De bacterie kan door teken, vlooien, mijten en luizen overgebracht worden. De belangrijkste overdrager is de kattenvlo. Deze ziekte wordt bij de mens Spotted Fever genoemd, omdat de ziekte een vlekkerige huiduitslag geeft die gepaard gaat met griepachtige verschijnselen. Deze ziekte komt vooral voor in Amerika en is nog niet met zekerheid in Nederland vastgesteld. Rickettsiae zijn wel aangetoond in de Nederlandse kattenvlo.

De pest:

Deze ziekte wordt veroorzaakt door Yersinia pestis. Het belangrijkste reservoir zijn de in het wild levende knaagdieren. De ziekte is in Nederland uitgeroeid. De rattenvlo brengt de ziekte over van rat naar rat en naar mens. Ook katten kunnen builenpest ontwikkelen: koorts met vergrote lymfeknopen. Honden zijn minder gevoelig.

Dipylidiase:

Dit is besmetting met de lintworm van de hond en kat (Dipylidium canis). Honden, katten, vossen en heel soms de mens is de gastheer. De larve van de vlo eet de larven van de worm op en deze tussengastheer wordt weer door de eindgastheer opgegeten. Bijvoorbeeld: kinderen die iets van de vloer eten of na het knuffelen met de hond de handen niet wassen voor het eten.

Tunggiasis:

Dit is een parasitaire huidziekte, vaak aan de voeten. De ziekte wordt veroorzaakt door de vrouwelijke zandvlo. Deze graaft zich in in de huid. Klachten: jeuk en wondjes. Honden, katten, varkens en ratten treden op als reservoir van gastheren. De ziekte komt in Nederland niet voor, maar wel bij reizigers die naar de tropen zijn geweest.

Terug naar Dier & Info
Lees meer op Licg.nl