• Bel ons (24/7)0316 - 33 10 76

Hond

De hond is een gedomesticeerde ondersoort van de wolf en is een roofdier

  • Naamloos-1 Allergie
  • sex Castratie
  • Chocoladevergiftiging
  • Mijten
  • Worms2 Ontwormen
  • Puppycontrole
  • Seniorprogramma
  • sex Sterilisatie
  • Tandenpoetsen
  • vaccine3 Vaccinatie

Naamloos-1 Allergie

Net als de mens kunnen honden (en katten) ook een allergie ontwikkelen. Er zijn verschillende soorten allergieën, maar de meest voorkomende in de praktijk is atopie. Atopie, ook wel atopische dermatitis (AD), is een allergie voor bijvoorbeeld huisstofmijt, grassen of pollen (allergenen) die zich uit als jeuk. We zien het met name bij de hond, maar het kan ook voorkomen bij de kat. Als gevolg van het bijten en krabben door de jeuk zien we vaak secundaire infecties ontstaan met gisten of bacteriën en raakt de huid beschadigd, wordt deze rood en korstig tot zelfs grijs en algemeen verdikt.

Atopie

De precieze oorzaak van atopie is nog onbekend. Het immuunsysteem wordt (zoals algemeen bij een allergie) overmatig geactiveerd na contact met allergenen. Er wordt vermoed dat dit mede veroorzaakt wordt door een slechte functie van de huidbarrière. Honden met atopie hebben hier meestal voor de leeftijd van vijf jaar voor het eerst last van. Vaak zien we de jeuk seizoensgebonden optreden, maar dit hoeft niet altijd.

Er is geen test om atopie aan te tonen. De diagnose kunnen we pas stellen door het uitsluiten van andere huidaandoeningen die dezelfde klachten kunnen geven, zoals bijvoorbeeld infecties met mijten, vlooien, gisten en/of bacteriën. Dergelijke infecties kunnen ook de klachten van atopie verergeren. Daarnaast moeten we ook voedselallergie uitsluiten voor we van atopie kunnen spreken.

Wist u dat...

75% van de honden met (terugkerende) oorontstekingen atopie heeft?

Nadat we de diagnose van atopie hebben gesteld, kunnen we besluiten om allergietesten te doen. Deze kunnen uitgevoerd worden op de huid van de hond, of met behulp van een bloedonderzoek. Met de resultaten van deze testen kan het laboratorium antistoffen samenstellen om de hond te desensibiliseren.

Behandeling

De behandeling van atopie bestaat vaak uit een tweetal pijlers: aan de ene kant de aanwezige jeuk zoveel mogelijk wegnemen, en aan de andere kant het ontstaan van de jeuk zoveel mogelijk remmen. Het wegnemen van de jeuk kan gebeuren met tabletten, zalf en/of een shampoo. Het remmen van het ontstaan van jeuk kan door eerder genoemde desensibilisatie-behandeling, een speciaal dieet en/of het verbeteren van de huidbarrière door middel van een shampoo of druppels.

sex Castratie

Castratie

Castratie betekent letterlijk het verwijderen van de gonaden (testikels of eierstokken). Hoewel we dit zowel bij de reu als de teef doen, noemen we het bij de teef sterilisatie en alleen bij de reu castratie.

De voornaamste redenen om een reu te castreren zijn ongewenst gedrag, regelmatig terugkerende voorhuidontsteking en/of als hij cryptorch (testikels niet allebei ingedaald) is.

Als we twijfelen of castratie de oplossing is voor bijvoorbeeld ongewenst gedrag, dan kunnen we een reu ook chemisch castreren. We plaatsen dan een implantaat onderhuids dat langzaam een hormoon vrijstelt waardoor de reu geen eigen testosteron meer aanmaakt. Hij is dan dus onvruchtbaar en ook het gedrag wordt beïnvloed zoals dat bij een normale castratie zou gebeuren. Het implantaat werkt minimaal zes maanden, waarna de effecten zullen verdwijnen en eventueel besloten kan worden tot operatieve castratie.

Loopsheid

Teefjes worden voor de eerste keer loops op een leeftijd van ongeveer negen maanden (6-18 maanden). De loopsheid is de vruchtbare periode van de teef: ze wordt aantrekkelijk en ontvankelijk voor reuen. Tijdens de loopsheid verliezen ze bloed uit de vulva en de vulva is ook gezwollen. Soms vertonen ze ander gedrag: ze lopen soms makkelijker weg, hebben minder eetlust en kunnen sloom zijn.

De loopsheid duurt gemiddeld twee tot drie weken. De eerste loopsheid is soms minder heftig en kan daardoor gemist worden of korter lijken. Soms is de eerste loopsheid echt korter, maar wordt de teef na een paar weken weer loops; we spreken dan van een split oestrus (gespleten loopsheid).

Schijnzwangerschap

Na de loopsheid duurt het ongeveer twee maanden voor het lichaam om weer ‘tot rust’ te komen. In die periode kan een teef schijnzwanger worden: het lichaam denkt dan dat er een zwangerschap is, terwijl dat niet zo is. Dit is een evolutionair verschijnsel met als doel alle vrouwelijke dieren in de roedel melk te laten geven, om zo voldoende ‘moeders’ voor de pups van het alfa-vrouwtje te hebben. Schijnzwangerschap kan niet veel kwaad, maar kan wel heel vervelend zijn, bijvoorbeeld als de hond er ziek van is of continu overal nestjes wil maken. Ook kan het risico op baarmoederontsteking toenemen bij herhaaldelijke schijndracht. Tijdens een schijnzwangerschap gaan we een teef liever niet steriliseren. Om deze redenen kiezen we er soms voor om de schijnzwangerschap met medicatie te onderbreken.

Baarmoederontsteking

Na elke loopsheid kunnen er kleine afwijkingen in de baarmoederwand aanwezig blijven. Deze kunnen uiteindelijk een flinke ontsteking in de baarmoeder veroorzaken: we spreken dan van een pyometra. Een pyometra of baarmoederontsteking kan levensbedreigend zijn: door de ontstekingsstoffen die in het bloed komen, kan er nierfalen ontstaan. Ook kan een baarmoeder scheuren, waardoor de pus in de buik komt en kan een hond buikvliesontsteking krijgen. Een baarmoederontsteking is dus een spoedgeval.

Als een teef een-drie maanden na de loopsheid plots ziek wordt, slecht eet, sloom is en/of veel drinkt en veel plast, dan willen we altijd controleren of er geen sprake is van een pyometra. Soms komt er pus uit de vulva, dan is het een duidelijke diagnose. Maar soms komt er geen pus uit (de baarmoederhals is dan gesloten) of de hond houdt zichzelf goed schoon; dan maken we een echo van de baarmoeder om te weten wat er aan de hand is.

De behandeling van een pyometra is in de meeste gevallen een operatie: we verwijderen dan de ontstoken baarmoeder en de eierstokken. In uitzonderlijke gevallen kan gekozen worden om eerst te behandelen met medicijnen, maar dit is niet zonder risico.

Chocoladevergiftiging

Cacao bevat een aantal stoffen die een giftige werking kunnen hebben bij uw huisdieren, waaronder theobromine. Melkchocolade en witte chocolade geven over algemeen weinig tot geen klachten, pure chocolade kan tot een ernstige vergiftiging leiden.

Dit alles is natuurlijk afhankelijk van de hoeveelheid die het dier binnenkrijgt. Witte chocolade bevat namelijk veel minder cacao dan melk (factor 240) en puur bevat nog weer twee tot acht keer zoveel cacao per gram chocolade dan melk. De ergste vergiftiging loopt uw huisdier op wanneer uw huisdier de donkerste chocolade van de (banket)bakker of chocolaterie op eet, dit kan nog tot drie keer zoveel cacao en dus theobromine bevatten.

De dosering theobromine in de diverse soorten chocolade is:

witte chocolade 0,009 mg per gram
melk chocolade 1,5-2,2 mg per gram
pure chocolade 4,5-16 mg per gram
cacaoboontjes 11-43 mg per gram

Er is een enorme variatie van effecten. De fatale dosis ligt tussen de 90 en 250 mg theobromine per kilogram lichaamsgewicht.

Dus voor een hond van tien kilogram kan een dosering van 900 mg theobromine dodelijk zijn. Dit is 400 gram melkchocolade of 56 gram pure chocolade.

We verwachten geen nadelige gevolgen bij een hoeveelheid van twaalf mg/kg theobromine. Dat is dus voor een hond van tien kilogram 54 gram melk chocolade of 7,5 gram pure chocolade.

Symptomen

De eerste verschijnselen ontstaan ongeveer vier tot vijf uur na het innemen (tot twaalf uur). We zien rusteloosheid, buikpijn, braken, veel drinken, speekselen, diarree en ataxie. De klachten kunnen ongeveer 72 uur aanhouden. Bij opname van grote hoeveelheden kunnen de klachten verergeren tot hyperactiviteit, hoge hartfrequentie, koorts en stuiptrekkingen. Het kan zelfs tot coma en de dood leiden.

Ook is na twee à drie dagen ten gevolge van het hoge vetgehalte van chocolade een ontsteking van de alvleesklier (pancreatitis) mogelijk. Ook zijn enkele dagen na inname nog verschijnselen mogelijk als gevolg van beschadigingen van de hartspier. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot acute hartdood de volgende dag.

Wat kunt u doen?

Het vervelende is dat u wanneer uw hond chocolade heeft ingenomen alleen direct iets kunt doen om dit te voorkomen: zo snel mogelijk laten braken is dan het advies. Ga niet proberen uw dier zelf te laten braken met bijvoorbeeld zout; uw dier kan dan komen te overlijden als gevolg van een zoutvergiftiging. Uw dierenarts heeft een middel speciaal bedoeld om braken op te wekken.

Sommige honden eten chocola op die nog in de verpakking zit, hierdoor komen de giftige stoffen langzamer vrij en heeft u dus meer tijd om in te grijpen met het laten braken.

Wanneer een hond veel chocolade heeft binnengekregen, is het te overwegen om zijn maag te spoelen. Wanneer dat onder narcose moet, omdat de hond het anders niet toelaat, heeft dat echter niet onze voorkeur, aangezien de maag dan stil komt te liggen.

Als uw dier veel chocolade heeft opgegeten, geeft u ze als het braken over is een grote hoeveelheid Norit (actieve kool) tabletten om opname van theobromine uit de darm tegen te gaan. De hoeveelheid Norit is twee gram per kilogram lichaamsgewicht elke vier uur. Dit is een enorme hoeveelheid en kan niet bereikt worden met de Norit van de drogist. Hier hebben we speciale Norit voor in huis.

Verder is dan alleen het bestrijden van de symptomen mogelijk, waarbij het meestal nodig is om een infuus aan te leggen.

Samengevat

Chocola is voor honden snel giftig, doordat de hond bepaalde stoffen veel minder snel omzet en uitscheidt dan de mens. Deze stof werkt in op het hart en de spieren. Houd er dus rekening mee dat uw hond veel minder chocolade kan verdragen dan u zelf kunt. Chocolade is geen voedingsmiddel voor honden, geef het nooit bewust aan uw hond. Let op: ook de kat kan niet tegen de gifstoffen in chocolade, alleen eten katten niet zo snel chocola op. Dus pas op rond de sinterklaasdagen, kerstdagen en Pasen.

Wij adviseren altijd zo snel mogelijk contact op te nemen met uw dierenarts als uw hond (of kat!) chocolade heeft gegeten. Vertel dan hoe zwaar uw hond is en hoeveel en welke chocolade hij op heeft. Meestal is het advies hem of haar voor de zekerheid te laten braken; wat er uit is, kan niet meer voor problemen zorgen!

Mijten

Mijten zijn kleine spinachtige parasieten die met het blote oog niet zichtbaar zijn. Ze komen voor bij honden, katten, konijnen en knaagdieren, en ook bij de mens. Sommige zijn diersoortspecifiek, andere zijn zoönotisch (ze kunnen van dier op mens overgebracht worden).

Schurft

Schurft wordt veroorzaakt door Sarcoptes scabei var. canis. Deze mijt leeft in de buitenste huidlagen, waar het vrouwtje gangen in graaft om eitjes te leggen. Het duurt twee tot drie weken voor een eitje om zich te ontwikkelen tot volwassen mijt. In de omgeving kan de mijt een paar weken overleven; ze kunnen bijvoorbeeld in de mand of borstel aanwezig zijn.

Schurft is erg besmettelijk. Honden kunnen het krijgen via direct contact met een besmette hond of diens borstel of deken. Sarcoptes-mijten zijn diersoortspecifiek en kunnen zich niet voortplanten op de mens, maar ze kunnen wel tijdelijk op de huid aanwezig zijn. Eigenaren kunnen dus wel jeuk en uitslag krijgen door deze mijt.

De klachten van schurft beginnen meestal op de snoet, oorranden, ellebogen en hakken, maar ze kunnen uitbreiden over het hele lichaam. Honden krijgen erge jeuk, rode plekken, bultjes en korsten. Door het vele krabben kunnen ze afvallen of secundaire bacteriële huidinfecties krijgen.

Om schurftmijten aan te tonen nemen we enkele huidafkrabsels. De pakkans is echter laag, daarom kiezen we vaak voor een behandeling bij verdenking. Dit kan in veel gevallen met een speciale pipet. Daarnaast kan een speciale shampoo of medicatie tegen jeuk aangewezen zijn. Ook de omgeving moet goed schoongemaakt worden en contact met andere honden moet zoveel mogelijk vermeden worden.

Oormijt

Oormijt wordt veroorzaakt door Otodectes cynotis en komt zowel voor bij de hond als bij katten. Het is erg besmettelijk en wordt overgedragen door direct contact. We zien het het meest bij jonge dieren, maar het kan in principe op elke leeftijd voorkomen.

Oormijten leven op de huid in het oor. De cyclus (van ei tot volwassen mijt) duurt ongeveer drie weken. De infectie kan in één of beide oren zitten. Sommige dieren lijken er geen last van te hebben, maar meestal ontstaat er erge jeuk. Vaak is er droog donkerbruin oorsmeer aanwezig, bij ernstige infectie kan er een flinke ontsteking bij komen.

Op basis van de symptomen (jeuk, droog bruin oorsmeer) hebben we vaak al een vermoeden dat het om oormijt gaat. Soms kunnen we met de otoscoop de mijten als kleine witte puntjes in de gehoorgang zien. Door middel van microscopisch onderzoek van wat oorsmeer kunnen we de diagnose met zekerheid stellen.

Behandeling kan met een speciale pipet op de huid of met oorzalf. Het verstandig om ook andere honden en katten in het huishouden te behandelen, ook als ze (nog) geen klachten hebben.

Demodicose (puppyschurft)

Puppyschurft wordt veroorzaakt door Demodex canis. De demodex-mijt is een normale bewoner van de huid: pups krijgen de mijten bij de geboorte al mee van de moeder en ze blijven levenslang aanwezig, meestal zonder problemen. Bij overgroei kunnen er wel klachten ontstaan. We zien behalve bij pups soms ook bij oudere dieren demodex-overgroei, bijvoorbeeld bij een onderliggende ziekte of medicatie waardoor de weerstand is verminderd.
Bepaalde rassen zijn extra gevoelig voor demodicose, bijvoorbeeld de West Highland White Terriër, Engelse Bulldog, Mopshond, Dobermann, Schotse Terriër, de Bull Terriër en de Sharpei. Demodicose van de hond is niet besmettelijk voor de mens of andere dieren; wel komen er andere demodex-soorten voor bij mens en kat.

Demodex-mijten leven in de haarzakjes. Ze zijn langwerpig met acht korte pootjes aan het voorste deel van het lichaam. Bij overgroei raken de haarfollikels beschadigd, waardoor de haren uitvallen. De belangrijkste klacht bij demodicose is dan ook haaruitval (alopecie). Daarnaast kan de huid gaan ontsteken en kan er een bacteriële infectie bij komen.
Demodicose kan op het hele lichaam voorkomen, maar we zien het het meest op de kop (rond de ogen) en aan de voetjes.

We kunnen de mijten aantonen in een afkrabsel of haarpluksel. Behandeling kan op verschillende manieren, waarbij er onder andere gekeken wordt naar de ernst en uitgebreidheid van de letsels, onderliggende aandoeningen en bijkomende bacteriële infecties. Belangrijk is dat we lang genoeg behandelen, we zullen dan ook regelmatig het microscopisch onderzoek herhalen om te kijken of er nog mijten aanwezig zijn.

Vachtmijt

Er zijn verschillende soorten vachtmijten, maar de meest voorkomende bij de hond is Cheyletiella, ook wel schilfermijt genoemd. Iedere diersoort heeft zijn eigen Cheyletiella-soort, maar in de praktijk zijn ze niet zo kieskeurig, waardoor in één huishouden zowel de hond, kat, konijn en zelfs de eigenaar huidklachten kunnen krijgen.

Vachtmijten leven op de huid en leggen hun eitjes vastgekleefd aan de haren. Het vrouwtje kan tot 10 dagen in de omgeving overleven. Ze veroorzaken schilfering en wisselend jeuk, hoewel sommige dieren geen last lijken te hebben

Cheyletiella-mijten kunnen soms met het blote oog gezien worden, maar meestal nemen we een monster met een kam of een afkrabsel en zien we ze onder de microscoop. We kunnen dieren makkelijk behandelen met een speciale pipet, die een paar keer herhaald moet worden. Belangrijk is dat we alle dieren in het huishouden behandelen en dat ook de omgeving goed schoongemaakt wordt.

Herfstmijt

De herfst- of oogstmijt, Neotrombicula autumnalis, leeft in de natuur van plantaardig materiaal. De larven parasiteren echter op zoogdieren. We zien ze vooral op de plaatsen waar de huid contact maakt met de grond: voeten, buik en snoet. Ook zitten de mijten graag op de oren. We zien ze vooral in de nazomer en de herfst.

De mijten (larven) zijn met het blote oog zichtbaar als feloranje speldenknopjes. We kunnen ze ook met microscopisch onderzoek op een afkrabsel aantonen.

Behandeling met de gebruikelijke vlooienmiddelen is meestal afdoende, al moet dit soms worden herhaald in verband met herbesmetting vanuit de omgeving.

Worms2 Ontwormen

Er komen verschillende soorten wormen voor bij honden: rondwormen (spoelwormen), haakwormen, zweepwormen, hart-/longwormen en lintwormen.

Rondwormen

Rondwormen (Toxocara en Toxascaris), of spoelwormen, komen veel voor bij de hond en kat. Elke pup wordt in de baarmoeder en via moedermelk besmet met spoelwormen. Volwassen dieren kunnen een nieuwe besmetting oplopen door het eten van eitjes of larven uit de omgeving (bijvoorbeeld via ontlasting van andere dieren). In de darm aangekomen ontwikkelen de eitjes zich tot larven en daarna tot wormen. Deze wormen scheiden weer eieren uit. Deze eieren komen weer in de ontlasting terecht en zijn voor u als eigenaar, met het blote oog zichtbaar. De larven kunnen ook nog een trektocht maken door het lichaam van uw hond. Larven komen hierbij overal in het lichaam terecht en gaan in rust. Ze kunnen weer geactiveerd worden als de hond drachtig is, en zo pups in de baarmoeder en via moedermelk besmetten.

Een besmetting met spoelwormen is bij volwassen dieren meestal symptoomloos; als er klachten zijn, zijn dit meestal chronische maagdarmklachten. Bij pups en kittens kunnen we zien dat ze minder goed groeien en een minder goede weerstand hebben, vaak zien we dan ook een ‘wormbuikje’ (dikke volle buik bij een verder dun dier). Een wormbesmetting gaat ook een goede werking van vaccinaties tegen. Bij grote hoeveelheden wormen in de darmen bij een jong, niet ontwormd dier kan er een darmafsluiting optreden; hier kan een dier aan overlijden.

Zowel honden als katten kunnen mensen besmetten, dus altijd handen wassen na het buiten spelen! Mensen kunnen besmet raken met spoelwormlarven. Deze worden bij de mens echter geen volwassen worm in de darmen, maar blijven als larve ‘zwerven’ door het lichaam. Vaak gebeurt dit zonder klachten, maar mensen kunnen er ook chronische vermoeidheid en lever-, long-, hersen- en oogproblemen van krijgen.

Bestrijding en preventie kan met de meeste ontwormingsmiddelen.

Haakwormen

Haakwormen komen vooral voor bij kennels, asiels en zwerfdieren, maar ook gezinshonden kunnen besmet raken. Honden kunnen besmet raken met de Nederlandse haakworm (Uncinaria) door het oplikken van besmette grond; klachten zijn vaak milde diarree. De haakwormen die voorkomen in Zuid-Europa (Ancylostoma) zijn agressiever, kunnen via de voetzolen binnendringen en veroorzaken donkere slijmige ontlasting en bloedarmoede.

Zweepwormen

Zweepworm (Trichuris vulpis) of kennelworm komt enkel lokaal voor in bepaalde kennels. In de besmette grond komen veel wormeieren voor die daar tot vijf jaar kunnen overleven. Voornaamste klacht is diarree vanuit de dikke darm (slijm en bloed op de ontlasting).

Hart-/longworm

Hartworm (Dirofilaria immitis) komt alleen voor in Zuid-Europa. Honden kunnen hartworm oplopen door een steek van een besmette mug, die de larven (microfilariën) onder de huid injecteert. De larven zwemmen naar het hart en de longslagader van de hond, waar ze in vier tot zes maanden volwassen worden. Hier planten ze zich voort en zo komen er nieuwe larven in het bloed van de hond, welke worden opgezogen door een andere mug, die daarna een andere hond kan besmetten.

Het kan een half jaar duren voordat een hond klachten krijgt van de hartwormbesmetting en de meeste honden blijven zelfs jaren symptoomloos. Klachten die we kunnen zien bij besmette honden zijn zwakheid, hoesten, minder eten, gewichtsverlies, uitdroging, benauwdheid, flauwvallen na inspanning, vocht in de buik/poten/kop. Als er veel wormen tegelijk afsterven, kan dit leiden tot een plotselinge dood van de hond.
De diagnose kan gesteld worden door bloedonderzoek, het maken van een hartecho en/of door het maken van röntgenfoto’s van hart en longen.

Behandeling van een hartwormbesmetting is erg gevaarlijk, omdat het plots afsterven van een grote hoeveelheid wormen ook tot sterven van de hond kan leiden. De hond moet tijdens de behandeling dan ook 40 dagen echt heel rustig gehouden worden en de medicatie wordt gefaseerd gegeven. Soms is een operatie nodig.

Vanwege de risico’s van besmetting en behandeling is preventie erg belangrijk. Als uw hond tussen april en oktober meegaat naar het Middellands Zeegebied, moet u hem/haar twee keer behandelen: gelijk bij thuiskomst en dertig dagen later, met een ontwormingsmiddel dat werkt tegen hartworm. De middelen die voor dit doel geregistreerd zijn bevatten Ivermectine, Milbemycine oxime, Moxidectine of Selamectine. U voorkomt hiermee dat opgelopen larven uitgroeien tot volwassen wormen. Het kan helpen om ook een muggenwerend middel te gebruiken (zoals een pipet die ook tegen teken werkt), maar als enkel preventiemiddel is dat onvoldoende.

De Franse hartworm (Angiostrongylus vasorum) komt, in tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden, wel voor in Nederland en is eigenlijk een longworm. Deze komt voor bij honden. Bij de hond zien we ook de longworm Oslerus osleri. Besmettingshaarden zijn vaak regionaal, maar lijken wel uit te breiden.
Besmetting treedt op na opname van larven. De larven van Oslerus worden opgenomen via ontlasting van besmette dieren, en kunnen van moeder op pup worden overgedragen. De larven van de andere longwormen worden eerst opgenomen door een slak, die vervolgens wordt opgegeten door een hond of kat of door een kikker, muis, vogel of reptiel, die daarna wordt opgegeten door een hond of kat waardoor die alsnog besmet wordt.

De volwassen wormen zitten in de kleine longslagaders. Hier leggen ze eitjes, waar larven uitkomen. De eitjes of larven worden opgehoest, doorgeslikt en uitgepoept.

Longwormen geven algemene klachten: sloomheid, slechte conditie, slechte eetlust, vermageren, hoesten, benauwdheid, longontsteking, bloedingen in de huid, in de slijmvliezen en in de longen. Diagnose kan soms gesteld worden met een röntgenfoto, maar wordt bevestigd via ontlastingsonderzoek. Behandeling kan met specifieke ontwormingsmiddelen, maar deze kunnen ook maandelijks preventief gegeven worden.

Lintwormen

Lintwormen (Taenia, Dipylidium en Echinococcus) geven meestal weinig klachten bij huisdieren. Soms merkt een eigenaar jeuk aan de achterhand of worden er proglottiden gevonden (stukjes worm die eruit zien als een rijstkorrel).

De meest voorkomende lintworm is Dipylidium caninum. De hond of kat besmet zich met deze worm door het oplikken van een besmette vlo. Mensen (vooral kinderen) kunnen ook besmet raken met deze lintworm. Dit is niet gevaarlijk, maar kan wel jeuk aan de anus geven. Andere lintwormen worden overgedragen door het eten van prooidieren (muizen, ratten, hazen), onverhit vlees en/of organen. Sommige van deze lintwormen kunnen ook schadelijk zijn voor mensen. Ter preventie is een goede vlooienbestrijding belangrijk, geef dieren liever gekookt vlees of vries vlees minimaal drie dagen in bij -20C.

De vossenlintworm (Echinococcus multilocularis) komt niet veel voor bij onze huisdieren, maar hij is wel extreem gevaarlijk voor de mens. Als de mens besmet raakt met deze worm, nestelen de larven zich in blazen in de organen met mogelijk overlijden tot gevolg. Mensen kunnen zich besmetten door het eten van besmet bosfruit of via de hond of kat (de eitjes kunnen in de vacht blijven hangen). Belangrijk voor de preventie is om in endemische gebieden (zie kaartje) dieren maandelijks te ontwormen met een geschikt middel.

Ontwormen van de hond 

Pups en kittens moeten regelmatig ontwormd worden op jonge leeftijd, vanwege de besmetting met spoelwormen via de moeder. Wij adviseren pups te ontwormen op twee, vier, zes en acht weken en daarna maandelijks tot een leeftijd van zes maanden. Het is het beste om de ontworming een paar dagen vóór de vaccinatie te geven, om een maximale werking van de entstof te krijgen.

Bij volwassen dieren is het basisadvies om vier keer per jaar (om de drie maanden) te ontwormen, maar afhankelijk van de situatie kan hiervan worden afgeweken. Als dieren veel buiten lopen en er zijn kinderen in het gezin, dan is het verstandig om elke maand te ontwormen.
Maandelijks ontwormen is ook aangewezen in gebieden waar vossenlintworm of hartworm voorkomt (denk hier ook aan als de hond mee gaat op vakantie), of als de hond prooidieren (slakken, kikkers, knaagdieren, vogels, reptielen) eet.

Niet elk ontwormingsmiddel werkt tegen alle soorten wormen. Als u te weinig geeft, werkt een middel ook onvoldoende. Lees daarom altijd aandachtig de bijsluiter. Voor een ontwormingsadvies op maat kunt u contact opnemen met de praktijk.

Puppycontrole

Pups krijgen in het algemeen op twaalf weken hun laatste pup-vaccinatie, waarna ze pas weer op eenjarige leeftijd een enting hoeven te hebben. In de tussenliggende negen maanden vinden er allerlei veranderingen plaats: de hond gaat wisselen, uitgroeien, wordt vruchtbaar en een teefje zal voor de eerste keer loops worden.

Hierbij kan er soms wat mis gaan. Zo kan het voorkomen dat de melkhoektanden nog in de bek staan, terwijl de definitieve tanden doorkomen. De hoektanden groeien dan scheef in de bek en dit kan letsels veroorzaken aan het gehemelte of het tandvlees. Ook kunnen er problemen zijn met de groei van de kaken. Dit kan eveneens gebitsproblemen veroorzaken. Als problemen tijdig ontdekt worden, kunnen we vaak nog ingrijpen door melktanden te trekken of een beugeltje te plaatsen. Tot een leeftijd van zes maanden hebben we nog veel opties voor het ingrijpen, daarna wordt dit veel beperkter.

Daarom bieden wij op onze praktijk puppy-controles aan op vier, vijf en zes maanden leeftijd. Tijdens deze gratis controle kijkt een paraveterinaire assistente uw hond na, kan zij vragen beantwoorden en heeft de hond een leuke ervaring om op terug te kijken (want er zijn veel koekjes en geen prikjes!).

Eventuele (gebits)problemen kunnen zo vroegtijdig gesignaleerd worden en uw hond leert dat hij niet bang hoeft te zijn bij de dierenarts.

Seniorprogramma

Vanaf acht jaar beginnen de meeste honden wel wat ouderdomskwaaltjes te vertonen. Daarom hebben we in onze kliniek het seniorprogramma ontwikkeld. Naast de gebruikelijke jaarlijkse controle tijdens de enting nemen we dan wat bloed af. Dit bloed afnemen kan dus tijdens de jaarlijkse controle en enting, u hoeft hiervoor dus geen apart consult af te rekenen. We controleren dan een aantal bloedwaarden, waarbij beginnende afwijkingen aan bijvoorbeeld de nieren, lever of bloedsuikerspiegel, al vroegtijdig ontdekt en behandeld kunnen worden. Verder geven we uiteraard ook adviezen wat betreft het gewicht, de voeding en beweging van de wat oudere hond.

Het nut van dit bloedonderzoek blijkt uit de volgende resultaten:

Gedurende een half jaar hebben wij 48 honden onderzocht, van wie 39 ouder waren dan acht jaar. Vier honden vertoonden hierbij te hoge nierwaarden. Dit duidt op een beginnend nierfalen. Door aangepaste voeding en eventueel medicijnen kan een verslechtering van de nierfunctie tegen gegaan worden. Bij negen honden vonden we een te hoge concentratie leverenzymen. De therapie is hierbij afhankelijk van wat de oorzaak is. Ook hier geldt dat soms met een goed passend dieet goede resultaten te behalen zijn.

Mocht u hier belangstelling voor hebben, maakt u dan een afspraak en geef hierbij even aan dat het om het seniorprogramma gaat.

sex Sterilisatie

Om te voorkomen dat een teef loops wordt, kunnen we haar steriliseren. Bij de sterilisatie worden de eierstokken verwijderd (strikt genomen is het eigenlijk een castratie). Als de baarmoeder afwijkend is, wordt deze soms ook verwijderd.

Voordelen

Bij sterilisatie op jonge leeftijd (op zes maanden leeftijd, of voor de tweede loopsheid) is er een duidelijke afname van de kans op melkkliertumoren.

Er is geen kans meer op baarmoederontsteking (pyometra). Dit is een ernstige aandoening die helaas veel voorkomt bij niet-gesteriliseerde teven.

Nadelen

Door veranderingen in de stofwisseling kan een teef na sterilisatie makkelijk aankomen. Om te voorkomen dat ze te zwaar wordt, kunt u het beste gelijk 10% minder gaan voeren.

Een enkele keer kan een teef incontinent worden na sterilisatie en druppeltjes urine gaan verliezen. Dit kan vaak verholpen worden met medicijnen.

Laparoscopische sterilisatie

Bij een gewone sterilisatie maken we een snee in het midden van de buik om de eierstokken (en baarmoeder) te kunnen verwijderen. Bij een laparoscopische sterilisatie worden drie veel kleinere sneetjes gemaakt, waarlangs een camera en instrumenten in de buik gebracht worden en de eierstokken worden verwijderd.

De drie kleine sneetjes genezen sneller dan de reguliere wond na een sterilisatie en gemiddeld genomen hebben honden hier minder last van na de operatie.

Een nadeel van laparoscopisch steriliseren is dat we de baarmoeder niet kunnen verwijderen zou deze afwijkend zijn.

Voor een laparoscopische sterilisatie is speciaal instrumentarium en ervaring nodig, dus dit kan niet door iedereen gedaan worden. Bij ons in de praktijk kan een zelfstandige dierenarts komen om uw hond laparoscopisch te steriliseren. Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met de praktijk.

Prikpil

Bij gebruik van de prikpil krijgt uw hond elke vijf maanden een injectie om de loopsheid te voorkomen.

Na het stoppen met de prikpil komt de loopsheid weer terug. Het varieert hoe snel de loopsheid weer terugkomt. De prikpil is dus geschikt om tijdelijk de loopsheid te onderbreken als u later nog met de teef wilt fokken.

De prikpil vergroot het risico op baarmoederontsteking, melkkliertumoren en suikerziekte. Vanwege deze ernstige bijwerkingen raden wij gebruik van de prikpil in de meeste gevallen af.

Tandenpoetsen

Het poetsen van tanden is voor veel baasjes niet iets wat ze standaard bij hun viervoeter doen, terwijl dit wel het beste hulpmiddel is om het gebit gezond te houden. Hoewel het voeren van (speciale) brokken en geven van kauwstaven/-snoepjes voor veel dieren al helpt tegen het vormen van tandsteen, zorgt poetsen voor een extra reinigend effect en het gezond houden van het tandvlees. Poetsen kan zowel bij honden als bij katten, hoewel niet elk dier het even snel makkelijk zal toelaten.

Poetsen oefenen

Als u met poetsen gaat beginnen, is het belangrijk dit langzaam op te bouwen en te trainen. Laat het dier eerst wennen aan het dagelijks aan de bek zitten. Kijk eens naar de tanden, masseer het tandvlees door de lippen heen. Beloon hem als hij het goed heeft gedaan, bijvoorbeeld door wat tandpasta te geven.

De tandpasta die u kunt gebruiken, moet wel speciale dierentandpasta zijn. Deze is verkrijgbaar op de praktijk. Er zijn verschillende smaken, dus u kunt uitproberen wat hij het lekkerst vindt. Belangrijk is dat de tandpasta geen fluoride mag bevatten, want dat is giftig bij inslikken. Een goede tandpasta bevat ook een enzym dat er voor zorgt dat tandplak niet in tandsteen wordt omgezet.

Bij de volgende stap gaat u voorzichtig de tandpasta aanbrengen op de tanden. Bij de meeste dieren zit de meeste plaque op de buitenzijde van de achterste kiezen (vooral van de bovenkaak) en de hoektanden. In deze stap kunt u het beste nog geen borstel gebruiken, maar de tandpasta aanbrengen met de vingers, een gaasje of vingerborstel; op die manier houdt u beter contact met uw huisdier en kunt u niet uitschieten bij een plotse onverwachte beweging.
Na het aanbrengen van de tandpasta kunt u een voorzichtige masserende beweging maken als uw dier dat al toe laat. Het poetsen van de snijtanden vinden de meeste dieren niet fijn, dus daar kunt u beter nog mee wachten. Ook het poetsen van de binnenzijde van de tanden en kiezen is erg lastig en meestal niet nodig.

Als dit lukt, en dat kan een paar weken in beslag nemen, kunt u overstappen op de tandenborstel. Dan is het alleen nog zaak om het poetsen bij te houden. Voor de beste resultaten adviseren wij dagelijks te poetsen.

De kat

Ook bij katten kunt u het poetsen op bovenstaande manier aanpakken, maar soms lukt het gewoon niet. Gelukkig vinden katten de tandpasta vaak wel smakelijk. Wat dan een oplossing kan zijn is het aanbrengen van de tandpasta op een grote borstel of ragertje waarna de kat met een kauwende beweging zelf zijn tanden kan ‘poetsen’. Ook voor kleine honden kan dit een goed alternatief zijn.

vaccine3 Vaccinatie

Vaccinatie

De vaccinatierichtlijnen zijn gebaseerd op het bereiken en handhaven van populatie-immuniteit.

Samenvatting

  • Serologische testen worden bij correcte toepassing betrouwbaar geacht voor de praktijk.
  • Pensions mogen een positieve titerbepaling accepteren in plats van vaccinatie.
  • Bij pups verdient een goede basisvaccinatie de voorkeur boven titerbepalingen: minimaal drievoudige vaccinatie plus een boostervaccinatie op zes tot twaalf maanden leeftijd.
  • Jaarlijks vaccineren blijft nodig voor leptospirose (hond). En natuurlijk is er dan ook de gezondheidscontrole van uw dier.
  • Voor de individuele volwassen hond kan een titerbepaling voor CPV, CDV en CAV een alternatief voor vaccineren zijn.
  • Als de laatste vaccinatie plaatsvindt op 16 weken leeftijd, kan op één jaar leeftijd een titerbepaling worden uitgevoerd om te bepalen of een boostervaccinatie nodig is. Daarna is het advies om jaarlijks te hertesten.

Bij een positieve titer dient dezelfde beschermingsduur aangehouden te worden als bij vaccineren, (mits er een volledige basisvaccinatie werd gegeven). Voor de meeste virale vaccins bij hond en kat is dat een periode van drie jaar. Na twee termijnen van drie jaar is op dit moment jaarlijks hertesten het advies. Titreren staat garant voor een minimale afweer, niet altijd voor een optimale afweer.

Veel informatie over vaccineren kunt u ook vinden op de website van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (licg.nl).

Wat is vaccineren?

Vaccineren is het dier stimuleren om zelf antistoffen (afweer) te maken tegen bepaalde ziekteverwekkers. Er wordt een ziekteverwekker ingespoten (bijvoorbeeld een dood virus) waarop het lichaam reageert door antistoffen te maken. Wanneer uw huisdier dan in contact komt met het virus herkent het lichaam dit als virus en kan het meteen grote hoeveelheden afweerstoffen aanmaken. Er treedt dus wel een kleine infectie op, maar deze wordt snel de das om gedaan.​

Het belang van vaccinatie zit vooral in de herd immunity (populatie-immuniteit): hoe meer dieren in een groep zijn gevaccineerd, hoe minder kans een ziekteverwekker krijgt om zich te verspreiden. Dieren die niet beschermd zijn (bijvoorbeeld doordat het vaccin bij hun niet werkt, of als ze door ziekte niet gevaccineerd kunnen worden), lopen dan ook minder kans om ziek te worden.

Momenteel is ongeveer 50% van de honden en 30% van de katten gevaccineerd. Het percentage van de populatie dat gevaccineerd moet zijn voor voldoende herd immunity verschilt per ziekte (o.a. variatie in besmettelijkheid). Algemeen wordt er vanuit gegaan dat er 67% vaccinatiegraad nodig is voor voldoende populatie-immuniteit.

Waartegen vaccineren?

We kunnen vaccineren tegen ziektes veroorzaakt door virussen en bacteriën. We vaccineren alleen tegen ziekteverwekkers die ernstige ziekte of sterfte veroorzaken, of die het dier gevoelig maken voor andere ziekteverwekkers. Dankzij vaccinaties zien we sommige ziektes nog maar zelden in Nederland, zoals bijvoorbeeld hondenziekte en hondsdolheid. Stoppen met vaccineren kan echter wel weer uitbraken veroorzaken, onder andere doordat deze ziektes in andere landen wel voorkomen en er veel wordt gereisd met dieren.

Bij honden vaccineren we standaard tegen hondenziekte (distemper), besmettelijke leverziekte (hepatitis), parvovirus en ziekte van Weil (leptospirose). Indien nodig kunnen we ook vaccineren tegen hondsdolheid (rabiës) en kennelhoest (Bordetella, parainfluenza).

Er bestaan nog meer vaccinaties, zoals bijvoorbeeld tegen herpesvirus of lyme. Deze worden enkel in specifieke situaties gebruikt.

Vaccineren bij volwassen dieren

Volwassen honden moeten in ieder geval jaarlijks gevaccineerd worden tegen de ziekte van Weil. Dit is een vaccin tegen een bacterie en geeft daardoor slechts korte immuniteit; bovendien is er een redelijk hoog infectierisico in Nederland door de waterrijke omgeving, de ziekte is vrij ernstig en besmettelijk voor de mens. De vaccinatie tegen de virussen (hondenziekte, hepatitis en parvovirus) is geregistreerd voor drie jaar, omdat we weten dat dit de minimale werkzaamheidsduur is voor de meeste honden. Inmiddels is ook bekend dat voor veel honden de werkzaamheid langer is, iets wat we kunnen aantonen met een titerbepaling (daarover later meer).

Kennelhoest

Mocht uw hond af en toe naar een pension gaan, dan wordt er vaak geëist dat de hond tegen kennelhoest is geënt. Deze enting kan via een injectie of als een druppel in de neus gegeven worden. Het voordeel van de druppelenting is een grotere lokale weerstand wanneer het virus op de slijmvliezen komt.

Rabiës

Wanneer u uw hond mee wilt nemen naar het buitenland is het verplicht om tegen rabiës, ofwel hondsdolheid te vaccineren. Deze vaccinatie moet minimaal een maand voor vertrek worden gegeven. Dus zorg dat u er op tijd bij bent!

Voor de landen van de EU zijn drie dingen belangrijk: uw dier moet geënt zijn tegen rabiës, u moet een EU-dierenpaspoort hebben en uw dier moet gechipt zijn. In het buitenland komen ziektes en parasieten voor waar u uw dier tegen moet beschermen.

Vaccineren bij pups

Als het moederdier goed gevaccineerd is, krijgen de pups via de eerste moedermelk (biest) antistoffen binnen (mits er voldoende wordt opgenomen in de eerste 36 uur na de geboorte). Deze antistoffen beschermen de jongen de eerste weken tegen infecties met deze virussen. Bij een goed gevaccineerd moederdier en goede opname kan deze bescherming zelfs tot 20 weken aanwezig blijven. Als een dekking gepland wordt, is het het beste om het moederdier hiervoor nog te boosteren om maximale maternale immuniteit te verkrijgen.

De immuunrespons tegen parvovirus na vaccinatie op zes weken is 63,1%, op acht weken 65,9%, op twaalf weken 92,2% en op zestien weken 99,4% (gemiddeld). Daarom is het advies van de WSAVA (World Small Animal Veterinary Association) om pups en kittens voor het eerst te vaccineren op zes tot acht weken (kittens tot negen weken) en dan elke twee tot vier weken tot ze zestien weken of ouder zijn (bijvoorbeeld zes, tien, veertien en achttien weken, of acht, twaalf en zestien weken).

Uitzondering: bij beroepsfokkers is het verplicht dat pups gevaccineerd worden tegen hondenziekte voor zeven weken leeftijd of zeven dagen voor ze naar een nieuwe eigenaar gaan.

Dit schema houdt rekening met de immunity gap: een gevoelige periode voor pups waarin de maternale antistoffen niet meer beschermen tegen ziekte, maar wel het aanslaan van het vaccin tegengaan. Bij slecht gevaccineerde moederdieren begint deze gap bij pups vroeger, bij goed gevaccineerde dieren later. Hiermee wordt in het standaard-schema rekening gehouden, maar dit verschilt uiteraard per dier. Daarom willen sommige fokkers bij pups titerbepalingen doen om het ideale moment van vaccineren vast te stellen.

Op één jaar leeftijd krijgen pups weer de cocktail. Dit is een historisch gegeven, we weten inmiddels dat de immuniteit volwassen is vanaf 6 maanden leeftijd. Deze enting kan dus tussen zes en twaalf maanden leeftijd gegeven worden. Na deze vaccinatie is de ‘basisvaccinatie’ compleet.

Titerbepaling

Om te weten of een dier voldoende beschermd is tegen bepaalde ziekteverwekkers kunnen we in het bloed de aanwezige antistoffen meten (titer bepalen). Voor honden kunnen we dit op de praktijk testen met de Vaccicheck voor hondenziekte, hepatitis en parvovirus. Voor de rabiës-vaccinatie is een titerbepaling verplicht als een dier mee gaat naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten.

Titerbepaling is niet mogelijk voor leptospirose (hond). Het is dus belangrijk dat dieren hier jaarlijks voor gevaccineerd blijven worden.

De titerbepaling wordt in steeds meer praktijken aangeboden, maar er zijn nog veel zaken onduidelijk. Recent zijn fabrikanten van vaccins, onderzoekers, practici en overheid na een overleg tot een consensus gekomen over het serologisch testen.

Een paar punten uit de consensus:

Een afwezige of verlaagde antilichaamtiter betekent niet altijd dat er geen of onvoldoende immuniteit is; er is mogelijk wel celgebonden afweer aanwezig en er zijn na vaccinatie geheugencellen geactiveerd die snel weer antilichamen kunnen gaan produceren als er een infectie optreedt.

Bijwerkingen van vaccins komen zelden voor, in totaal 0,004% bij honden en 0,005% bij katten. [Dit hoeft dus geen reden te zijn om bij alle dieren te gaan testen.]

Er is een correlatie tussen de aanwezigheid van neutraliserende antilichamen en beschermende immuniteit. De hoogte van de titer is wel slechts een momentopname en geen maat voor de beschermingsduur; er kan dus geen harde garantie worden gegeven over de beschermingsduur na een positieve titer. De WSAVA Richtlijn geeft momenteel echter aan dat bij volwassen gevaccineerde dieren met een aangetoonde voldoende bescherming door serologisch onderzoek de test pas na drie jaar weer herhaald hoeft te worden.

Het gebruik van testen bij jonge pups om een optimaal vaccinatietijdstip te bepalen heeft nadelen: door sterke individuele variatie dienen alle dieren in een nest iedere twee tot drie weken getest te worden, dit betekent dus regelmatig bloedprikken (welzijn?), bovendien kan het risico op infecties toenemen omdat dieren mogelijk langer dan noodzakelijk in een fase van onvoldoende immuniteit verblijven (immunity gap).

Er is nog onvoldoende informatie over de beschermingsduur van pups die alleen de pupentingen tot twaalf of zestien weken hebben gekregen en bij testen op één jarige leeftijd (moment van hervaccinatie) nog voldoende hoge titers hebben. Daarom is het advies om deze honden jaarlijks te hertesten. Indien er wel een boostervaccinatie tussen de zes en twaalf maanden is gegeven, is driejaarlijks hertesten mogelijk op het tijdstip van de hervaccinatie.

De on-site test [b.v. vaccicheck] is bedoeld voor het vaststellen van een voldoende bescherming op tijdstip van beoogde hervaccinatie en niet voor het bepalen van een vaccinatie interval. Aangezien bij honden antilichamen langer persisteren dan drie jaar, kan een tweede termijn van drie jaar worden gehanteerd voor hertesten. Een derde periode van drie jaar is vooralsnog door het ontbreken van evidence-based gegevens uit veldstudies niet te verantwoorden en kan risico’s met zich meebrengen voor de groepsimmuniteit. Een jaarlijkse titerbepaling is dan het advies. Dit is ook te overwegen bij dieren ouder dan tien jaar in verband met mogelijke verminderde activiteit van het afweersysteem.

Honden die in een pension verblijven, moeten volgens de wet gevaccineerd worden tegen parvo, distemper en HCC. Katten tegen kattenziekte en niesziekte (feline herpes- en calicivirus). Pensions mogen er tegenwoordig voor kiezen om een positieve titerbepaling te accepteren in plaats van een vaccinatie.

Er wordt soms als argument voor titerbepaling gesteld dat een boostervaccinatie zinloos is bij voldoende antistoffen, omdat de antistoffen de vaccinatie zouden ‘wegvangen’. Dit is echter niet waar. Na vaccinatie zijn er naast antistoffen namelijk ook geheugencellen; deze worden na een booster extra gestimuleerd om meer antistoffen te maken. We zien het regelmatig in de praktijk bij de hondsdolheid-vaccinatie: een dier wordt getest in verband met een reis naar het buitenland en heeft een beschermende titer die echter te laag is volgens de wettelijke eis. Na een hervaccinatie (booster) bepalen we de titer opnieuw: deze is dan sterk verhoogd (en het dier mag mee op reis).

Aangezien we voor een titerbepaling toch al bloed afnemen, kunnen we bij oudere honden de titerbepaling combineren met het geriatrische onderzoek. We controleren dan onder andere op suikerziekte, nier- en leverproblemen.

Terug naar Dier & Info
Lees meer op Licg.nl