Deze tekst is gebaseerd op onze lezing tijdens de Open Dag 2017.

Samenvatting

  • De vaccinatierichtlijnen zijn gebaseerd op het bereiken en handhaven van populatie-immuniteit.
  • Serologische testen worden bij correcte toepassing betrouwbaar geacht voor de praktijk.
  • Bij kittens verdient een goede basisvaccinatie de voorkeur boven titerbepalingen: minimaal tweevoudige vaccinatie plus een boostervaccinatie op 6-12 maanden leeftijd.
  • Voor de individuele volwassen kat kan een titerbepaling voor FPV een alternatief voor vaccineren zijn.
  • Bij een positieve titer dient dezelfde beschermingsduur aangehouden te worden als bij vaccineren, (mits er een volledige basisvaccinatie werd gegeven). Voor de meeste virale vaccins bij de kat is dat een periode van 3 jaar. Na 2 termijnen van 3 jaar is op dit moment jaarlijks hertesten het advies. Titreren staat garant voor een minimale afweer, niet altijd voor een optimale afweer.
  • Als de laatste vaccinatie plaatsvindt op 16 weken leeftijd, kan op 1 jaar leeftijd een titerbepaling worden uitgevoerd om te bepalen of een boostervaccinatie nodig is. Daarna is het advies om jaarlijks te hertesten.
  • Pensions mogen een positieve titerbepaling accepteren i.p.v. vaccinatie.
  • Jaarlijks vaccineren blijft nodig voor niesziekte (hoogrisico katten). En natuurlijk is er dan ook de gezondheidscontrole van uw dier.

Veel informatie over vaccineren kunt u ook vinden op de website van het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (licg.nl).

Wat is vaccineren?

Vaccineren is het dier stimuleren om zelf antistoffen (afweer) te maken tegen bepaalde ziekteverwekkers. Er wordt een ziekteverwekker ingespoten (bijvoorbeeld een dood virus) waarop het lichaam reageert door antistoffen te maken. Wanneer uw huisdier dan in contact komt met het virus herkent het lichaam dit als virus en kan het meteen grote hoeveelheden afweerstoffen aanmaken. Er treedt dus wel een kleine infectie op, maar deze wordt snel de das om gedaan.

herd immunity

Het belang van vaccinatie zit vooral in de herd immunity (populatie-immuniteit): hoe meer dieren in een groep zijn gevaccineerd, hoe minder kans een ziekteverwekker krijgt om zich te verspreiden. Dieren die niet beschermd zijn (bijvoorbeeld doordat het vaccin bij hun niet werkt, of als ze door ziekte niet gevaccineerd kunnen worden), lopen dan ook minder kans om ziek te worden.

Momenteel is ongeveer 50% van de honden en 30% van de katten gevaccineerd. Het percentage van de populatie dat gevaccineerd moet zijn voor voldoende herd immunity verschilt per ziekte (o.a. variatie in besmettelijkheid). Algemeen wordt er vanuit gegaan dat er 67% vaccinatiegraad nodig is voor voldoende populatie-immuniteit.

Waartegen vaccineren?

We kunnen vaccineren tegen ziektes veroorzaakt door virussen en bacteriën. We vaccineren alleen tegen ziekteverwekkers die ernstige ziekte of sterfte veroorzaken, of die het dier gevoelig maken voor andere ziekteverwekkers. Dankzij vaccinaties zien we sommige ziektes nog maar zelden in Nederland, zoals bijvoorbeeld hondenziekte en hondsdolheid. Stoppen met vaccineren kan echter wel weer uitbraken veroorzaken, onder andere doordat deze ziektes in andere landen wel voorkomen en er veel wordt gereisd met dieren.

Katten vaccineren we standaard tegen kattenziekte (parvovirus) en niesziekte (herpesvirus en calicivirus). Indien nodig kunnen we ook vaccineren tegen hondsdolheid (rabiës) en meer verwekkers van niesziekte (ChlamydiaBordetella).

Er bestaan nog meer vaccinaties, zoals bijvoorbeeld tegen leukose. Deze worden enkel in specifieke situaties gebruikt.

Vaccineren bij volwassen dieren

Volwassen katten moeten in ieder geval elke 3 jaar gevaccineerd worden tegen kattenziekte en niesziekte. Afhankelijk van de situatie kan het verstandig zijn om jaarlijks te vaccineren tegen niesziekte. Dit is belangrijk voor katten met een hoger risico: katten die regelmatig in een pension verblijven, katten in een multi-cat huishouden waarvan de katten (of sommige van hen) naar buiten kunnen en zelfs een solitaire kat die af en toe buiten komt kan een hoger risico hebben.

Niesziekte

Mocht uw kat af en toe naar een pension gaan, dan kan geëist worden dat ze ook tegen andere verwekkers van niesziekte is ingeënt, zoals Chlamydia of Bordetella. De eisen per pension verschillen, dus het is het handigst als u even navraagt wat de eisen zijn bij het desbetreffende pension.

Rabiës

Wanneer u uw kat mee wilt nemen naar het buitenland is het verplicht om tegen rabiës, ofwel hondsdolheid te vaccineren. Deze vaccinatie moet minimaal een maand voor vertrek worden gegeven. Dus zorg dat u er op tijd bij bent!

Voor de landen van de EU zijn drie dingen belangrijk: uw dier moet geënt zijn tegen rabiës, u moet een EU-dierenpaspoort hebben en uw dier moet gechipt zijn. In het buitenland komen ziektes en parasieten voor waar u uw dier tegen moet beschermen.

Vaccineren bij kittens

Als het moederdier goed gevaccineerd is, krijgen de kittens via de eerste moedermelk (biest) antistoffen binnen (mits er voldoende wordt opgenomen in de eerste 36 uur na de geboorte). Deze antistoffen beschermen de jongen de eerste weken tegen infecties met deze virussen. Bij een goed gevaccineerd moederdier en goede opname kan deze bescherming zelfs tot 20 weken aanwezig blijven. Als een dekking gepland wordt, is het het beste om het moederdier hiervoor nog te boosteren om maximale maternale immuniteit te verkrijgen.

De immuunrespons tegen parvovirus na vaccinatie op 6 weken is 63,1%, op 8 weken 65,9%, op 12 weken 92,2% en op 16 weken 99,4% (gemiddeld). Daarom is het advies van de WSAVA (World Small Animal Veterinary Association) om pups en kittens voor het eerst te vaccineren op 6-8 weken (kittens tot 9 weken) en dan elke 2-4 weken tot ze 16 weken of ouder zijn (bijvoorbeeld 6+10+14+18 weken, of 8+12+16 weken).

consensus richtlijnen kat
Dit schema houdt rekening met de immunity gap: een gevoelige periode voor pups en kittens waarin de maternale antistoffen niet meer beschermen tegen ziekte, maar wel het aanslaan van het vaccin tegengaan. Bij slecht gevaccineerde moederdieren begint deze gap bij kittens vroeger, bij goed gevaccineerde dieren later. Hiermee wordt in het standaard-schema rekening gehouden, maar dit verschilt uiteraard per dier. Daarom kan er in specifieke situaties van het standaard vaccinatieschema worden afgeweken.

maternale antistoffen

Op 1 jaar leeftijd krijgen kittens weer de cocktail. Dit is een historisch gegeven, we weten inmiddels dat de immuniteit volwassen is vanaf 6 maanden leeftijd. Deze enting kan dus tussen 6 en 12 maanden leeftijd gegeven worden. Na deze vaccinatie is de ‘basisvaccinatie’ compleet.

Titerbepaling

Om te weten of een dier voldoende beschermd is tegen bepaalde ziekteverwekkers kunnen we in het bloed de aanwezige antistoffen meten (titer bepalen). Voor honden kunnen we dit op de praktijk testen met de Vaccicheck, voor katten kunnen we dit nog niet in de praktijk, maar dit kan wel bij een extern laboratorium. Voor de rabiës-vaccinatie is een titerbepaling verplicht als een dier mee gaat naar bijvoorbeeld de Verenigde Staten.

Titerbepaling is niet mogelijk voor niesziekte. Het is dus belangrijk dat dieren hier jaarlijks voor gevaccineerd blijven worden.

De titerbepaling wordt in steeds meer praktijken aangeboden, maar er zijn nog veel zaken onduidelijk. Recent zijn fabrikanten van vaccins, onderzoekers, practici en overheid na een overleg tot een consensus gekomen over het serologisch testen.

Een paar punten uit de consensus:

  • Een afwezige of verlaagde antilichaamtiter betekent niet altijd dat er geen of onvoldoende immuniteit is; er is mogelijk wel celgebonden afweer aanwezig en er zijn na vaccinatie geheugencellen geactiveerd die snel weer antilichamen kunnen gaan produceren als er een infectie optreedt.
  • Bijwerkingen van vaccins komen zelden voor, in totaal 0,004% bij honden en 0,005% bij katten. [Dit hoeft dus geen reden te zijn om bij alle dieren te gaan testen.]
  • Er is een correlatie tussen de aanwezigheid van neutraliserende antilichamen en beschermende immuniteit. De hoogte van de titer is wel slechts een momentopname en geen maat voor de beschermingsduur; er kan dus geen harde garantie worden gegeven over de beschermingsduur na een positieve titer. De WSAVA Richtlijn geeft momenteel echter aan dat bij volwassen gevaccineerde dieren met een aangetoonde voldoende bescherming door serologisch onderzoek de test pas na 3 jaar weer herhaald hoeft te worden.
  • Het gebruik van testen bij jonge pups en kittens om een optimaal vaccinatietijdstip te bepalen heeft nadelen: door sterke individuele variatie dienen alle dieren in een nest iedere 2-3 weken getest te worden, dit betekent dus regelmatig bloedprikken (welzijn?), bovendien kan het risico op infecties toenemen omdat dieren mogelijk langer dan noodzakelijk in een fase van onvoldoende immuniteit verblijven (immunity gap).
  • Er is nog onvoldoende informatie over de beschermingsduur van jongen die alleen de entingen tot 12 of 16 weken hebben gekregen en bij testen op 1 jarige leeftijd (moment van hervaccinatie) nog voldoende hoge titers hebben. Daarom is het advies om deze dieren jaarlijks te hertesten. Indien er wel een boostervaccinatie tussen de 6 en 12 maanden is gegeven, is 3-jaarlijks hertesten mogelijk op het tijdstip van de hervaccinatie.
  • De on-site test [b.v. vaccicheck] is bedoeld voor het vaststellen van een voldoende bescherming op tijdstip van beoogde hervaccinatie en niet voor het bepalen van een vaccinatie interval. 
  • Katten die in een pension verblijven, moeten volgens de wet gevaccineerd worden tegen kattenziekte en niesziekte (feline herpes- en calicivirus). Pensions mogen er tegenwoordig voor kiezen om een positieve titerbepaling te accepteren in plaats van een vaccinatie.

Er wordt soms als argument voor titerbepaling gesteld dat een boostervaccinatie zinloos is bij voldoende antistoffen, omdat de antistoffen de vaccinatie zouden ‘wegvangen’. Dit is echter niet waar. Na vaccinatie zijn er naast antistoffen namelijk ook geheugencellen; deze worden na een booster extra gestimuleerd om meer antistoffen te maken. We zien het regelmatig in de praktijk bij de hondsdolheid-vaccinatie: een dier wordt getest i.v.m. een reis naar het buitenland en heeft een beschermende titer die echter te laag is volgens de wettelijke eis. Na een hervaccinatie (booster) bepalen we de titer opnieuw: deze is dan sterk verhoogd (en het dier mag mee op reis).

Aangezien we voor een titerbepaling toch al bloed afnemen, kunnen we bij oudere katten de titerbepaling combineren met het geriatrische onderzoek. We controleren dan onder andere op suikerziekte, nier- en leverproblemen.